Columns

'Voelen? Dat is toch iets wat je deed op vrijdagnacht achter de kerk naast de brommers?'

In mijn jeugd, die zich grotendeels in het rustieke Twente afspeelde, zei je nooit tegen elkaar wat je precies dacht. En wat je voelde, vond al helemaal niemand relevant. Voelen, dat deed je op vrijdag om één uur ’s nachts achter de kerk naast de brommers.

Toen ik ging studeren, kwam ik voor het eerst in aanraking met westerse types, zoals wij iedereen links van de IJssel noemden. Ik kreeg nieuwe vriendinnen die over gevoelens praatten alsof het niets was. Fascinerend vond ik dat. En zo leerde ik dat ‘prima’ niet het enig mogelijke antwoord is op de vraag ‘hoe is het?’.

Op de school van mijn jongste dochter is een moeder die voor voelen heeft doorgeleerd.

‘Kan het kloppen dat jij dingen weglacht?’ vroeg ze schijnbaar achteloos op de laatste klassenborrel. ‘Ik heb het idee dat jij vooral hier zit.’ Ze tikte tegen haar hoofd. ‘En dat je daar niet zoveel laat binnenkomen.’ Ze wees in de richting van mijn navel.

‘Ja, denk je?’ vroeg ik bezorgd. ‘Misschien heb je gelijk. Moet ik wat meer tijd voor rust en bezinning in mijn leven brengen. Alleen hoe dan? Ik zou op zich ’s nachts kunnen gaan mediteren maar verder is er met drie kinderen, twee banen, een boek en een hond niet echt ruimte voor yin-yangtoestanden.’

‘Echt voelen wat je behoefte is, heeft niets met een vol programma te maken. Maar je moet het wel durven.’

Durven, zei ze. Alsof ik iets niet zou durven, zeg.

Ik besluit een online cursus Bezinning & Innerlijk Voelen te volgen. Dat laatste lijkt me een pleonasme maar die gedachte getuigt waarschijnlijk van te veel denken en te weinig voelen. Op mijn laptop vertelt een vrouw dat we met tweehonderdveertig mensen in de livestream zitten en gaan starten met een meditatie en een healing. Een minuut of tien later klim ik via een imaginaire touwladder een wolkendek in.

‘Kijk maar eens om je heen, overal zie je wolken, zo ver als je kijken kunt,’ zegt de stem in mijn oor. Ik sluit mijn ogen.

‘Ik kan niet slapen!’ gilt er dan ineens iets in mijn rechteroor. Weg wolkendek. Jongste staat voor mijn bed.

‘Oké, kom hier dan maar liggen, maar dan moet je wel gaan slapen, hè. Ik moet nog even werken.’ Ik geef haar een kussen en doe het oortje weer in.

We zijn inmiddels in een ruimte aanbeland met een deur en daarachter een kleurrijk bloemenveld. In dit veld bevindt zich mijn innerlijke kind. Ik doe m’n best weer in de meditatie te komen en niet te denken aan het wc-papier dat op is.

Getik op m’n arm. Oortje weer uit. Het is zoon.

‘Ja?’

‘Kun je mij even helpen met topo?’ Hij kwakt zijn topografieboek op mijn laptop. ‘Hier staat Kazachstan. Maar dat klopt toch niet? Dat ligt toch veel hoger?’

‘Jongens kom op, laat mij even met rust. Over twintig minuten kom ik naar beneden en help ik je.’

‘Ik zei toch niets.’ Jongste trekt een verongelijkt gezicht en draait haar rug naar me toe.

‘Ik wacht hier wel tot je klaar bent.’ Zoon gaat demonstratief op de rand van het bed zitten.

Ja, zo kan ik lekker ontspannen. Dan zwaait de deur open en komt ook oudste dochter binnen. Op haar arm een tegenstribbelende hond.

‘Ja, vertel jij maar even wat je hebt gedaan!’ Dan tegen mij: ‘Hij is superstout. Ik trek het niet meer met hem, hoor. Beter kom jij naar beneden.’

‘Als je toch naar beneden gaat, kun je direct Kazachstan even aanwijzen,’ zegt zoon en springt op.

‘Kan iedereen even stil zijn alsjeblieft?’ Jongste trekt mijn dekens over haar hoofd. ‘Zo kan ik toch niet slapen.’ 

‘Kunnen jullie mij nu even allemaal met rust laten! Hoe kan ik zo ooit mindful worden?!’

De hond laat van schrik mijn beha uit zijn bek vallen en de rest kijkt me geschrokken aan.

Schoorvoetend lopen ze de kamer uit.

Dan gaat de deur weer even open. ‘Mam?’ Het is oudste dochter. ‘Ik wil alleen nog even zeggen dat ik het niet prettig vind als je zo heftig reageert. Dat voelt niet fijn.’

Gelukkig, het is niet erfelijk.

* Deze column verscheen eerder in JAN 10, 2017 / Foto: © Anne Timmer